Wetenschap kan niet om geloof heen
Kritische opmerkingen bij een boek van Taede A. Smedes, God én Darwin
Auteur: Arnoud Rop
Inleiding
Wanneer ik dit schrijf, is het Darwinjaar 2009 afgelopen. De opgelaaide discussie rond evolutie en/of schepping zal echter nog wel even voortduren. Volgens velen is er geen echt probleem. De theoloog Taede Smedes windt er in zijn boek ‘God én Darwin’ (Nieuw Amsterdam 2009) in ieder geval geen doekjes om: geloof kan niet om evolutie heen en dat is ook helemaal geen punt. Wetenschap en evolutie zijn verschillende ‘Weltzugänge’: verschillende invalshoeken om de wereld te benaderen (p 17). Maar na het lezen van dit toegankelijke boekje, blijf ik met een paar zaken zitten. Twee problemen die ik met Smedes’ boek heb, wil ik in dit artikel uitwerken.
Het eerste probleem is dat de beschrijving van de evolutietheorie als onontkoombaar feit (waar geloof dus niet omheen kan) in dit boek nauwelijks uit de verf komt. Het zou kinderachtig zijn om een artikel te schrijven over enkel en alleen het feit dat een titel de lading niet dekt. Er is naar mijn overtuiging dan ook iets belangrijkers aan de hand: het idee dat de evolutietheorie zo is ingeburgerd als realiteit, dat zelfs in een boek over de stelling dat geloof niet om Darwin heen kan, de onderbouwing daarvan niet echt meer nodig is.
Het tweede probleem dat ik met Smedes’ boek heb, is dat Smedes in het hoofdstuk “Naar een theologie van evolutie – een interview met mijzelf” geloof c.q. theologie rechtvaardigt als een grensbewaker voor de wetenschap. Vandaar mijn alternatieve titel: “Wetenschap kan niet om geloof heen”. Volgens Smedes gaat wetenschap die de werkelijkheid reduceert tot enkel waarneembare materie een grens over. Een theoloog of kritisch filosoof mag wetenschappers hier dan ook op aanspreken. Mijn stelling is, dat de wijze van redeneren van Smedes sterk lijkt op de manier waarop William Paley via het ontwerpargument het bestaan van God probeerde aannemelijk te maken. In het eerste hoofdstuk wijst Smedes deze manier van theologie bedrijven hartgrondig af, maar hij hanteert feitelijk dezelfde methode in het tweede deel van zijn boek.
Ik heb voor dit artikel gebruik gemaakt, vanzelfsprekend van de tekst van het boek van Smedes zelf, maar ook van recensies door Bart Klink (Een diep religieuze ongelovige?, www.deatheist.nl 20 juni 2009), door “De Lachende Theoloog” (God én Darwin, http://delachendetheoloog.web-log.nl 21 juni 2009) en door René Fransen (Ook Smedes’ visie op geloof en wetenschap stemt tot nadenken, ND 9 oktober 2009).
De beste theorie
Het in juni 2009 uitgekomen boek van Taede Smedes is beknopt en goed leesbaar. Het boek wordt over het algemeen mede om die reden ook aangeprezen. ‘De Lachende Theoloog” (LT) schrijft over het eerste deel van het boek:
“Dit eerste deel van het boek is uitstekend. Bovendien hebben deze eerste hoofdstukken ‘nazoek-waarde’: je zult het boek nog vaak uit de kast kunnen pakken om even snel na te lezen hoe een en ander precies zit.”
Verder schrijft hij dat hij geen reden kan bedenken dit boek te laten liggen, dat het informatief, goed geschreven en actueel is. LT heeft ook wel wat kritiekpunten, maar is toch lovend. Ook Bart Klink schrijft onder andere over het eerste hoofdstuk lovend:
“In het eerste hoofdstuk schetst Smedes een beknopte geschiedenis van de totstandkoming van de moderne evolutietheorie en de ontkrachting van dominee Paley’s beroemde ontwerpargument voor Gods bestaan. Hij legt ook goed uit in lekentaal wat de moderne evolutietheorie inhoudt.”
René Fransen noemt van het eerste hoofdstuk alleen de bespreking van de religieuze wortels van de evolutietheorie. Geen lovende woorden over de beschrijving van de theorie zelf. Over het geheel van het boek is Fransen toch redelijk positief. Ookal zullen orthodoxe lezers Smedes misschien snel wegzetten als vrijzinnig, het is volgens Fransen geen reden om het boek terzijde te leggen. Je hoeft het niet met iemand eens te zijn, om toch iets van hem te leren. Smedes geeft volgens hem een visie op God en diens relatie met de schepping die tot nadenken stemt en waarmee ook orthodoxe gelovigen aan de slag kunnen.
Als orthodox gelovige voeg ik dan hierbij de daad bij Fransens woord. Ik ben iets minder enthousiast over het eerste hoofdstuk van het boek dan LT en Bart Klink. De titel van het hoofdstuk luidt: “De religieuze wortels van de evolutietheorie”. In de proloog schrijft Smedes over dit hoofdstuk:
“In het eerste hoofdstuk schets ik waar het in de evolutietheorie wetenschappelijk gezien om draait. Misschien is een van de redenen dat de evolutietheorie zo appelleert aan religieuze mensen, dat deze theorie zélf religieuze wortels heeft. En dan bedoel ik niet dat evolutie ‘ook maar een geloof’ is, of iets dergelijks; dat zijn kinderachtige argumenten. Nee, Charles Darwin probeerde het ontwerp van de natuur te verklaren door middel van natuurlijke oorzaken, en hij ging daarmee lijnrecht in tegen het ontwerpargument van William Paley.”
De kwestie van de religieuze wortels wordt feitelijk in het eerste deel van het hoofdstuk behandeld en het gaat over het gedachtengoed van de anglicaanse geestelijke William Paley. Deze man kwam met de bekende analogie van het horloge op de hei. Zo’n horloge ontstaat niet zomaar in de natuur. Iemand heeft het ontworpen. Zo is de natuur ontworpen door een bovennatuurlijk wezen, namelijk God.
De reden waarom de evolutietheorie religieuze wortels heeft, ontgaat mij enigszins in deze verhandeling. De enige verwijzing is dat Darwin een natuurlijke oorzaak voor ontwerp zocht in tegenstelling tot Paley. De stelling dat de evolutietheorie geworteld is in een religieuze discussie over de herkomst van het ontwerp van de wereld (Smedes, p 22) wordt niet echt uitgewerkt en het belang ervan wordt ook niet duidelijk.
Het tweede deel van het hoofdstuk is een korte samenvatting van het leven van Darwin, hoe hij tot zijn theorie kwam over ‘gemeenschappelijke afstamming met aanpassing’ (Smedes p 33) en wat de evolutietheorie verder behelst. Op pagina 41 trekt Smedes een paar conclusies:
1. “De evolutietheorie is momenteel de beste theorie waarover wetenschappers beschikken om de evolutie van het leven op aarde te verklaren.”
2. “Bovendien wordt de geldigheid ervan bevestigd door fossielen en door genetisch onderzoek.”
3. “Bij Darwin is sprake van een ontwerp zonder Ontwerper. Het belang van Darwin voor de natuurwetenschappen kan dan ook niet onderschat worden! Niettemin is precies dit naturalisme – de veronderstelling dat dingen en gebeurtenissen in ons heelal voldoende verklaard kunnen worden uit natuurlijke oorzaken – hét struikelblok voor creationisten en verdedigers van intelligent design.”
Ad 1. Al op de middelbare school werd mij geleerd, dat een conclusie een samenvatting moet zijn van wat er aan argumenten te berde is gebracht, die dan nog eens tegen elkaar worden afgewogen. Dat de evolutietheorie de beste theorie zou zijn, daarover is echter met geen woord gerept. Er is alleen een beknopte omschrijving gegeven. Verder is deze uitspraak strikt genomen een cirkelredenering: “De evolutietheorie is .. de beste theorie .. om de evolutie .. te verklaren.” Ik neem echter aan, dat dit door Smedes niet zo bedoeld is, maar het is wel onzorgvuldig.
Ad 2. Opnieuw geldt hier, dat hierover niet gesproken is. In de conclusie wordt nieuwe informatie aangedragen, zonder deze informatie te onderbouwen. Het woord ‘fossielen’ komt überhaupt niet voor in het hoofdstuk. Genetisch onderzoek wordt wel genoemd, maar zijdelings:
“Pas na de ontdekking van het genetisch materiaal zou een oplossing hiervoor beschikbaar komen” (p 31); en: “Vandaag de dag weten we echter dat soorten zich ontwikkelen en dat ze zich splitsen in nieuwe soorten. Dat is een ontwikkeling en splitsing die zich afspeelt op genetisch niveau.” (p 33)
Ad 3. Wat Smedes hier bedoelt, is dat Darwin het probleem van het ‘waargenomen ontwerp’ heeft opgelost zonder daarbij gebruik te maken van een God. En precies dat heeft de wetenschap enorm verder geholpen. Wat hij hier niet noemt, is dat de zogenaamde ‘voldoende verklaring’ in Darwins tijd nog lang niet zo ‘voldoende’ was. Hoe de ontwikkeling van de theorie verder is verlopen, doet Smedes voornamelijk af met zinnen als: “Vandaag de dag weten we echter..”(p 33); “Pas sinds de ontdekking van het DNA weten we dat…” (p 34); “Wie die gemeenschappelijke voorouder precies was en waar hij leefde, is nog niet bekend, maar dat wij van de mensaap afstammen, staat onomstotelijk vast” (p 35).
Een grondige behandeling van de evolutietheorie is dit hoofdstuk niet te noemen. Waar het hoofdstuk feitelijk mee begint, zijn de religieuze wortels van Intelligent Design, niet van de evolutietheorie. Daarna komt het leven van Darwin en zijn theorie over natuurlijke selectie en common descent aan de beurt en als laatste een korte, overigens heldere beschrijving van de huidige evolutiebiologie.
Men kan natuurlijk tegenwerpen, dat dit boek geschreven is voor leken. Bovendien zou het ondoenlijk zijn om de theorie uitputtend te behandelen. Desalniettemin komt het onderwerp er bekaaid vanaf. Dat een atheïst als Bart Klink hier weinig moeite mee heeft, komt waarschijnlijk omdat de evolutietheorie alom aanvaard is. Om die reden hoeft Smedes er ook niet al te zorgvuldig mee om te gaan. Ik ben echter van mening dat de leek op deze manier de zaken te simpel voorgeschoteld krijgt. Een leek wordt tekort gedaan door de slordige conclusies die Smedes trekt.
Een betere bespreking van de evolutietheorie is te vinden in het boek “Gevormd uit Sterrenstof” van René Fransen (Medema 2009). Dat boek is ook in heldere lekentaal geschreven, maar geeft veel meer informatie. Overigens schaart Smedes Dr. Fransen gemakshalve onder de theïstisch evolutionisten, terwijl Fransen daar eigenlijk niet in past en de term überhaupt (nog) niet wil hanteren.
De grenzen van de wetenschap
Smedes legt in het eerste hoofdstuk genaamd “De religieuze wortels van de evolutietheorie” op heldere wijze uit, dat het ontwerpargument van William Paley en het aan dat argument gekoppelde ‘godsbewijs’ gedoemd is tot mislukken. De theologie van Paley (een tijdgenoot van Darwin) maakt zich afhankelijk van de wetenschap van een bepaalde periode en loopt daarmee het risico om volslagen achterhaald te raken. Op pagina 28 van zijn boek schrijft Smedes dan ook:
“Dat was uiteindelijk ook het lot van Paleys natuurlijke theologie, namelijk toen een halve eeuw later Charles Darwin het wetenschappelijke toneel opklauterde.”
De vraag of het klopt, wat Smedes hier zegt, wil ik in dit artikel verder niet bespreken. Ik denk dat hij wel een punt heeft, maar hij gaat mijns inziens sowieso te ver door de ontwerpgedachte gelijk te stellen met het complete theologische gedachtengoed van William Paley. De stelling, die ik evenwel wil verdedigen, is dat Smedes in het tweede deel van zijn boek, het hoofdstuk “Naar een theologie van evolutie – een interview met mijzelf” het gevaar loopt in dezelfde valkuil te stappen als Paley.
De definitie die Smedes geeft van wat hij onder geloof verstaat, staat op pagina 115:
“Voor mij is religieus geloof het hebben van en handelen in overeenstemming met een intuïtie dat de werkelijkheid die zich, op welke wijze dan ook, aan onze zintuigen presenteert, niet de hele werkelijkheid is. .. Onze intuïtie zegt ons dat ons waarnemingsvermogen beperkt is, dat de waarneembare werkelijkheid niet alles is wat er is.”
Verder schrijft hij op dezelfde pagina:
“De mysterieuze werkelijkheid achter onze waarneembare werkelijkheid noem ik God.”
Op de volgende pagina vraagt en antwoordt Smedes zichzelf:
“Maar wat maakt deze intuïtie tot een religieuze intuïtie, of tot geloof? Dat gebeurt door de specifieke invullling of verwoording van de intuïtie.”
Op pagina 118 pakt hij dit weer op en zegt:
“God zelf blijft het ultieme mysterie dat niet opgaat in (en dus niet verdwijnt met) de verwoording ervan.
Tegelijk is er ook het besef dat die verwoording wel nodig is om de gevoeligheid van mensen voor het trancendente te blijven voeden…, maar ook omdat anders het gevaar bestaat dat we het geheim van onze wereld, de dieptedimensie van de werkelijkheid, niet langer waarnemen of voelen.”
Volgens Smedes hebben we dus een intuïtie die ons vertelt, dat er meer is dan wij kunnen waarnemen met onze zintuigen. Datgene wat er méér is, noemt Smedes god. We kunnen deze god nooit reduceren tot een bepaalde verwoording, maar we móeten er wel over praten. Waarom? Omdat ‘de gevoeligheid van mensen voor het trancendente’ gevoed moet worden. Het gevaar bestaat namelijk dat deze anders zal verdwijnen.
In de eerste plaats heb ik kritiek op de basis van Smedes’ geloof. Er is een intuïtie dat ‘god’ bestaat. Deze intuïtie moet verwoord worden, anders bestaat het gevaar dat de mens deze intuïtie verliest. Het geloof moet in stand worden gehouden door er over te praten. De enige basis voor het geloof lijkt het praten-over te zijn. Een echt houvast wordt niet geboden.
Het tweede punt van kritiek gaat onder andere over de volgende passage op pagina 129:
“Het eerste is dat wetenschap ons niet uitputtend kan vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Om een voorbeeld te gebruiken: als een jongen verliefd is op een meisje en gedichten voor haar schrijft, dan heeft dat alles te maken met allerlei stofjes in de hersenen die horen bij de fysieke gesteldheid van verliefd zijn. Maar de gedichten en de toestand van verliefd-zijn kunnen niet gereduceerd worden tot die stofjes. Een reductionistische benadering is dus uitgesloten. Iemand die zegt dat verliefdheid niets anders is dan de werking van stofjes in de hersenen, doet geen wetenschappelijke uitspraak, maar een metafysische. Op dat moment mag een theoloog (of kritisch filosoof) zeggen: hier wordt een grens overschreden.”
In dit citaat stelt Smedes dat ‘de toestand van verliefd-zijn’ niet kan worden gereduceerd tot stofjes in de hersenen. Daarom is een reductionistische benadering uitgesloten. Ik ben het eens met Smedes dat de werkelijkheid niet tot die ‘stofjes’gereduceerd kan worden. Er is echter een probleem. Waar moet je als kritisch filosoof de vinger opsteken en zeggen: “tot hiertoe en niet verder”? Welk wetenschappelijk beeld neem je daarbij als uitgangspunt? Ik citeer zijn kritiek op Paley:
“Hij nam dus het wetenschappelijke beeld van zijn tijd tot uitgangspunt voor theologische reflectie (wat op zich geen probleem is) en verabsoluteerde dat (en dat is wél problematisch).” (p 27)
Dit is ook de kritiek van Bart Klink op de passage over verliefdheid:
“Reductie is echter heel gebruikelijk in de wetenschap: temperatuur is reduceerbaar tot de gemiddelde moleculaire kinetische energie en licht tot elektromagnetische geloven. Ik zie niet in waarom verliefdheid niet net zo goed reduceerbaar zou kunnen zijn tot hersenchemie, al zal dit een stuk complexer zijn dan de andere reeds succesvolle reducties. Grensbewakende theologen kunnen voortschrijdend neurowetenschappelijk inzicht niet tegenhouden.”
Maar Smedes heeft zijn ‘onherleidbaar complexe structuur’ van de intuïtie. Die bewijst, dat er méér is dan de chemische stofjes in onze hersenen. Hoe kan Smedes bewijzen dat er inderdaad meer is? Misschien is onze intuïtie niet meer dan een overlevingsmechanisme ten opzichte van ons onvermogen om álles te begrijpen. Hoe meer we begrijpen, hoe minder er van die intuïtie over blijft. Welk gereedschap haalt Smedes uit zijn wetenschapskist om te meten waar de scheidslijnen liggen tussen een wetenschappelijke en een metafysische uitspraak? Onder welke categorie uitspraken vallen uitspraken van de intuïtie? Met die vragen blijf ik achter.
Tegen het ontwerpargument van Paley brengt Smedes in, dat het gefundeerd is op onwetendheid. Op pagina 27 zegt hij:
“Maar waar vandaag een groot vraagteken staat, kan morgen een beredeneerd antwoord staan voorzien van een uitroepteken!”
Dit kan natuurlijk evengoed voor de gevoelens van verliefd-zijn gelden. Als ik Smedes’ argumentatie tegen Paley volg, moet ik concluderen dat de theologie van Smedes zich ook afhankelijk maakt van de wetenschap van een bepaalde periode en daarmee een reëel risico loopt om uiteindelijk volslagen achterhaald te raken (vergelijk Smedes op p 28).
Enkele slotopmerkingen
Het geloof c.q. de theologie van Taede Smedes mist uiteindelijk een vast fundament, omdat de ‘intuïtie’ een twijfelachtige grond heeft en in stand gehouden moet worden door er over te blijven praten. Men moet zichzelf aan de haren uit het moeras trekken. Maar deze intuïtie geeft theologen en kritische filosofen volgens Smedes wél het recht om natuurwetenschappers een halt toe te roepen als ze hun boekje te buiten gaan. Hij zegt:
“De wetenschap benadert de waarheid over hoe de wereld in elkaar zit in alle voorlopigheid, maar is noodzakelijkerwijs ook altijd beperkt.”
Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling van de evolutietheorie er voor gezorgd dat het ontwerpargument achterhaald is geraakt. Daarmee is de waarheid over hoe de werkelijkheid in elkaar zit verder benaderd, maar het zal noodzakelijkerwijs nooit de hele waarheid vinden. Het lijkt me in dat opzicht belemmerend voor deze zoektocht als theologen natuurwetenschappers op hun vingers tikken als deze hun grenzen proberen te verleggen.
Geloof, theologie en filosofie hebben de functie van grensbewaking voor de natuurwetenschap. Verder houden geloof, theologie en filosofie zich bezig met wat zou moeten zijn, de ethiek:
“Begrippen als schoonheid, goedheid, rechtvaardigheid en waarheid horen strikt genomen binnen een natuurwetenschappelijk discours niet thuis.” (p 130)
Het is voorbehouden aan de theologie en de filosofie om aan deze reflectie een bijdrage te leveren. Op pagina 142 komt Smedes met een zekere reflectie:
“De aarde is in ieder geval de enige plek in het heelal waarvan we zeker weten dat de evolutie er bewust van zichzelf geworden is, dat het heelal zichzelf daar ontdekt heeft. Maar de mensen die drager zijn van dat kosmische zelfbewustzijn zijn zich daar zelf niet van bewust en sluiten zichzelf op binnen de muren van hun dagelijkse leefwereld …
Zouden we er niet goed aan doen ons bewust te worden van dat kosmisch perspectief, zodat we er gevoeliger voor worden en onze persoonlijke beslommeringen kunnen relativeren in het licht van de kosmische evolutie? Misschien dat we dan zelfs worden gestimuleerd om onze medemens niet langer de hersens in te slaan maar te zien als iemand die hetzelfde, kosmische, lot deelt.”
René Fransen zegt hierover:
“Het is een oproep tot verlichting die wat naïef overkomt.”
Ik kan daar volledig mee instemmen. Bovendien gaat het ook tegen Smedes’ eigen adagium in. Geloof en wetenschap zijn volgens hem namelijk twee verschillende ‘Weltzugänge’, twee manieren om de wereld te benaderen (p 17). In Smedes’ reflectie is wetenschap echter de bril waarmee ‘geloof’ naar de wereld kijkt, niet een toegang vanaf een andere kant. En omdat geloof eigenlijk niet meer is dan de intuïtie dat er een mysterieuze werkelijkheid achter de waarneembare werkelijkheid is, lijkt Smedes ook weinig houvast te hebben om een andere toegang te vinden dan de (natuur)wetenschappelijke. Zo komt hij met de ‘troost’ van het kosmisch perspectief. Als iemand het moeilijk heeft, kun je zeggen: “Wees maar niet bang, je stelt immers weinig voor in het licht van de kosmische evolutie.” Als Smedes dit voor ogen heeft, wanneer hij zegt dat geloof niet om evolutie heen kan, dan begrijp ik zijn titel. Ik ben echter van mening dat de pastorale kracht van het geloof er niet op vooruit zal gaan met dit besef van het kosmisch perspectief.
Hoe is de verhouding tussen geloof en wetenschap dan wel? Ik heb hier geen afdoende antwoord op. Zolang geloof en wetenschap echter als twee verschillende manieren van kijken worden gezien, denk ik dat de spanning tussen die twee zal blijven bestaan. De scheidslijn zal steeds opschuiven. De wetenschappelijke Weltzugang zal groter worden en de geloofs-Weltzugang kleiner. Ik pleit voor afschaffing van de tegenstelling én voor de afschaffing van de verschillende invalshoeken. Alle wetenschap is ook geloof, alle geloof is ook wetenschap. Natuurwetenschap bestudeert de natuur, theologie bestudeert de Bijbel en andere geschriften en zo meer. Voor dit moment is dat een simpele voorstelling van zaken. Op dit moment heb ik ook niet de kennis en kunde om dit verder uit te werken. Wat ik heb willen aantonen in dit artikel is dat Smedes over pak weg 100 jaar wellicht dezelfde kritiek krijgt te verduren als hij uit richting Paley. Dan zegt men: “Intuïtie is te verklaren uit … en bedriegt ons in zekere zin om … natuurlijke selectie … te overleven.” Er zal dan niet veel plaats meer zijn voor geloof als men het reduceert tot de betekenis die Smedes er aan geeft.
Laatste reacties